NIEUWSBRIEF MAART 2019

7 VRAGEN OVER ETALAGEBENEN
Etalagebenen. Het klinkt mooier dan het is. Naar schatting hebben een kleine miljoen Nederlanders er last van. Vaatchirurg Joep Teijink vertelt er in zeven antwoorden meer over.

1. Wat zijn etalagebenen, en waarom heten ze zo?
“Etalagebenen krijg je wanneer de slagaders in en naar je benen zijn vernauwd of afgesloten door atherosclerose, oftewel slagaderverkalking. Er stroomt minder bloed naar de been­spieren, die daardoor niet genoeg zuurstof krijgen en pijn doen. Om de pijn af te laten nemen moeten patiënten stilstaan. Om zich een houding te geven gaan zij soms in een ­etalage ­kijken; daarom noemen we dit etalagebenen.”

2. Hoe weet je dat je ze hebt?
“Je voelt pijn in de benen na inspanning. Deze pijn trekt weg na het nemen van een paar minuten rust. Voor iedereen voelt de pijn anders aan. Sommigen hebben kramp, anderen zeurende pijn. De pijn zit in een spiergroep, dus bijvoorbeeld in de kuit, het bovenbeen of de bilspier. De huisarts stelt de diagnose op basis van de klachten en het meten van de bloeddruk aan beide armen en beide enkels.”

3. Hoe erg is het om etalagebenen te hebben?
“Aan etalagebenen zelf kun je niet overlijden, maar je hebt wel een lagere leeftijdsverwachting dan iemand zonder etalagebenen. De veroorzaker van de ­ellende, slagaderverkalking, zit in het hele lichaam, dus ook in de slagaders vanaf het hart of naar de hersenen. ­Krijgen die minder zuurstof, dan kan dat dodelijk zijn. Mensen met etalagebenen hebben dan ook meer kans om te ­over­lijden aan een hartaanval of herseninfarct (beroerte).”

4. Welke behandelingen kun je kiezen?
“Er bestaan verschillende behandelingen, zoals looptherapie, dotteren of een bypass. Begeleide looptherapie is de eerste keus volgens artsen, omdat het gericht is op gezonder leven. Het gaat wel om een uitgebreid traject van twaalf maanden. De huisarts verwijst je na de diagnose naar een gespecialiseerde fysiotherapeut. De fysiotherapeut kijkt waar je last van hebt en waar het door komt. Hij kijkt niet alleen hoe je de klachten zelf kunt oplossen, maar ook naar risicofactoren, zoals roken en slechte voeding. Hij helpt je bij het vinden van een nieuwe leefstijl. Je moet de eerste weken twee tot drie keer per week naar de therapeut. Hij maakt een beweegplan waarbij wordt getraind op conditie, kracht en balans. Samen met de fysiotherapeut en de huisarts bepaal je na minimaal drie maanden looptherapie of het voldoende heeft –geholpen. Zo niet, dan moet je toch naar een vaatchirurg.

De vaatchirurg maakt na aanvullend onderzoek de afweging of, en zo ja, wat voor ingreep je zou kunnen krijgen. Andere ­behandelopties zijn dotteren of het aanleggen van een bypass. Bij dotteren wordt de vernauwing in het bloedvat opgerekt met een ballonnetje. Een bypass betekent dat het bloed via een omweg langs het afgesloten vat wordt geleid.”

5. Waarom zegt u: kies voor looptherapie?
“Omdat het de beste behandeling is. Bij begeleide loop­therapie werk je aan verbetering van de algehele conditie, train je ook hart en longen en het niet aangedane been. Je loopt dus minder risico op een ­hartinfarct of beroerte. Daarnaast is er aandacht voor krachttraining en balansverbetering. Allemaal factoren die bijdragen aan een betere kwaliteit van leven – je gaat je beter en fitter voelen. Dat geldt ook voor de adviezen en begeleiding rond een gezonde leefstijl, zoals hulp bij stoppen met roken, gezonde voeding en dagelijks bewegen. Begeleide looptherapie en dotteren werken ongeveer even goed tegen de klachten van etalagebenen, zoals pijn bij het lopen. Maar bij dotteren is er een kleine kans op complicaties en bij looptherapie niet. Een belangrijke reden om terughoudend te zijn met ingrijpen is dat dotteren leidt tot dotteren. Als je eenmaal begint te opereren aan bloedvaten, dan ontstaat er vaak littekenvorming, waardoor het vat opnieuw dicht kan gaan zitten en er opnieuw geopereerd moet worden. Overigens: looptherapie sluit niet uit dat je toch een operatie nodig hebt op den duur. Eén op de vijf mensen die looptherapie heeft gehad, krijgt later toch een ingreep.”

6. Deze fysiotherapie is erg intensief. Niet iedereen ziet dat zitten.
“Het klopt dat looptherapie veel inspanning kost en dat je pas resultaat merkt na een paar weken, terwijl er na een dotteroperatie al ­direct resultaat is. Maar het levert ook veel op. Je krijgt een betere conditie. Verder is er minder kans op vallen, je krijgt hulp bij stoppen met roken en bij het aanleren van een beter voedingspatroon. En daarmee een langer en ­gezonder leven!”

7. Wat kun je het beste doen als je etalagebenen wil voorkomen?
“Niet roken, niet roken en niet roken. En verder voldoende bewegen en gezonde voeding. Roken is de grootste risicofactor voor etalagebenen. Tachtig procent van de mensen met ­etalagebenen heeft gerookt of rookt nog. Het is nooit te laat om te stoppen met roken. En daarnaast moet je flink in beweging blijven, gezond eten en positief in het leven proberen te staan. Sowieso ingrediënten voor een gelukkig(er) leven.”

Professor Joep Teijink is vaatchirurg in het Catharinaziekenhuis in Eindhoven en oprichter van ClaudicatioNet, het ­landelijk netwerk voor begeleide looptraining en leefstijlbegeleiding. Hij weet alles van ­etalagebenen (door artsen ‘claudicatio intermittens’ genoemd). Teijink is een warm ­pleitbezorger van looptherapie in plaats van een operatie bij etalagebenen.

Bezoek ook onze website: www.fysio-havermans.nl en geef u op om onze digitale nieuwsbrief te ontvangen.

Voor afspraken: 0167-567521